Kolokacje

5  1    260 flashcards    bartoszkowalewski90
download mp3 print play test yourself
 
Question Answer
Ik moet mijn achterstand ___.
nadrobić zaległości (praca, nauka, sprawy)
start learning
inhalen
Ik probeer het werk van gisteren ___ ___.
nadrobić wcześniejszą pracę
start learning
in te halen
Hij heeft alle gemiste lessen ___.
nadrobić opuszczone lekcje
start learning
ingehaald
De verhuizing zette hun leven ___.
wywrócić życie do góry nogami
start learning
ondersteboven
Die gebeurtenis heeft alles ___ ___ gezet.
coś całkowicie wywróciło sytuację
start learning
ondersteboven
De pandemie zette de wereld ___.
ogromna zmiana, globalny chaos
start learning
ondersteboven
Hij haalde het hele huis ___ ___.
przeszukać wszystko, zrobić bałagan
start learning
ondersteboven
Ze haalde haar tas ___.
szukać czegoś w pośpiechu
start learning
ondersteboven
Probeer in deze situatie ___ te blijven.
zachować spokój i trzeźwe myślenie
start learning
nuchter
Als je het ___ bekijkt, valt het best mee.
spojrzeć na coś racjonalnie
start learning
nuchter
Hij kan onder druk ___ nadenken.
myśleć trzeźwo, bez paniki
start learning
nuchter
Ze heeft een ___ kijk op geld.
realistyczne, bez przesady podejście
start learning
nuchtere
We moeten ___ en realistisch blijven.
bez emocji, na chłodno
start learning
nuchter
Hij gedraagt zich erg ___ tegenover zijn baas.
podlizywać się, być służalczy
start learning
kruiperig
Dat vond ik een ___ houding.
służalcza, uniżona postawa
start learning
kruiperige
Ze praat op een ___ manier met hem.
przesadnie uniżony sposób mówienia
start learning
kruiperige
Dit gebouw is cultureel ___.
dziedzictwo kulturowe
start learning
erfgoed
We moeten ons ___ beschermen.
chronić dziedzictwo
start learning
erfgoed
Hij voelde zich diep ___ door die opmerking.
zostać obrażonym
start learning
beledigd
Dat was niet zo bedoeld, ik wilde je niet ___.
obrazić kogoś
start learning
beledigen
Hij ___ dat hij onschuldig is.
twierdzi, że jest niewinny
start learning
beweert
Ze kwam met een ___ zonder bewijs.
twierdzenie bez dowodów
start learning
bewering
Ze wonen in een ___ huis.
ogromny, bardzo duży
start learning
reusachtig
Dat project is een ___ succes.
gigantyczny (skalą, efektem)
start learning
reusachtig
Hij draaide aan de ___.
klamka, gałka drzwi
start learning
deurknop
De ___ zat los.
poluzowana klamka
start learning
deurknop
Ze pakte de ___ vast.
chwycić klamkę
start learning
deurknop
Hij voelde duidelijk ___.
uczucie dyskomfortu
start learning
ongemak
De situatie leidde tot ___.
spowodować zakłopotanie / dyskomfort
start learning
ongemak
Dat zorgde voor veel ___.
wywołać dyskomfort
start learning
ongemak
Het is mij ___ dat hij stiller is.
zauważyłem / rzuciło mi się w oczy
start learning
opgevallen
Het is ons ___ hoe snel het ging.
coś zwróciło naszą uwagę
start learning
opgevallen
De verschillen worden steeds meer ___.
różnice się zacierają
start learning
uitgevlakt
Ze probeerden de emoties te ___.
stłumić, wygładzić emocje
start learning
uitvlakken
Je moet het verleden ___.
odpuścić, przestać się trzymać przeszłości
start learning
loslaten
Hij kan die controle moeilijk ___.
puścić kontrolę
start learning
loslaten
Ze heeft haar angst eindelijk ___.
uwolnić się od strachu
start learning
losgelaten
Ik had de ___ niet door.
nie załapałem żartu
start learning
grap
Het duurde even voordat hij de ___ ___.
zrozumieć żart po chwili
start learning
grap doorhad
Zij leek de grap meteen te ___.
od razu załapać żart
start learning
grap doorhebben
Je moet dat niet zo persoonlijk ___.
brać coś do siebie
start learning
persoonlijk opvatten
Hij vatte de kritiek te ___ op.
zbyt osobiście odebrać krytykę
start learning
persoonlijk op
Dat was niet zo bedoeld, neem het niet ___.
nie bierz tego do siebie
start learning
persoonlijk
Hij durfde zijn ___ te erkennen.
przyznać się do błędu
start learning
fout
Het is belangrijk om een ___ te erkennen.
uznać / przyznać błąd
start learning
fout
Ze weigerde haar ___ te erkennen.
nie chcieć przyznać się do winy
start learning
fout
Ik ___ niet hoe ernstig het was.
zdać sobie sprawę
start learning
beseft
Hij begon te ___ dat hij ongelijk had.
uświadomić sobie coś stopniowo
start learning
beseffen
Ze ___ zich pas later wat er was gebeurd.
zrozumieć po czasie
start learning
besefte
Hij voelde zich ___ door zijn omgeving.
zostać odrzuconym
start learning
afgestoten door
Ze waren bang om ___ te worden.
być odtrąconym
start learning
afgestoten
Het kind werd sociaal ___.
zostać wykluczonym społecznie
start learning
afgestoten
Dat is ___ een goede oplossing.
moim zdaniem
start learning
in mijn ogen
Ze probeerde haar baan te behouden ___.
bez względu na konsekwencjen
start learning
ten koste van alles
Je moet hier ___ verlenen.
ustąpić pierwszeństwa
start learning
voorrang
Zij kreeg ___ bij de behandeling.
pierwszeństwo
start learning
voorrang
Deze weg heeft ___.
mieć pierwszeństwo
start learning
voorrang
Dat was een duidelijke ___ onvrede.
wyraz / przejaw niezadowolenia
start learning
uiting van
De ___ emoties verschilt per persoon.
ekspresja, okazywanie
start learning
uiting van
Hij raakte helemaal ___.
zdezorientować się
start learning
in de war
Ik ben een beetje ___ door dat bericht.
być skołowanym
start learning
in de war
De uitleg was nogal ___.
niejasny, mylący
start learning
verwarrend
Al die informatie is ___.
wprowadza zamieszanie
start learning
verwarrend
De winkel ligt ___ van de straat.
po drugiej stronie
start learning
aan de overkant
Hij woont ___.
naprzeciwko, po drugiej stronie
start learning
aan de overkant
Er is een kleine ___ van de norm.
odchylenie od normy
start learning
afwijking
Dit wordt gezien als een ___.
odstępstwo
start learning
afwijking
Gebruik je ___ en denk even na.
użyj rozumu
start learning
verstand
Hij had zijn ___ moeten gebruiken.
zachować się rozsądnie
start learning
verstand
We moeten ons ___ gebruiken.
kierować się rozsądkiem
start learning
verstand
Wat een ___ hier.
bałagan, syf
start learning
troep
Ruim die ___ eens op.
posprzątać bałagan
start learning
troep
Het ligt hier vol ___.
pełno śmieci / nieporządku
start learning
troep
Je moet je niet zo ___.
spieszyć się
start learning
haasten
Hij ___ zich om op tijd te zijn.
śpieszył się, żeby zdążyć
start learning
haastte
Hij probeerde zijn schuld ___.
odkupić dług, spłacić jednorazowo
start learning
af te kopen
Ze konden het contract niet ___.
wykupić się z umowy
start learning
afkopen
De boete werd ___.
odkupiona / uregulowana pieniędzmi
start learning
afgekocht
Hij voelde zich moreel ___.
czuć się wyższo, lepszym od innych
start learning
verheven
Ze ___ zich boven de rest.
czuła się ponad innymi
start learning
voelde zich verheven
Dat gedrag laat zien dat hij zich ___ voelt.
postawa wyższości
start learning
verheven
Hij kon zich nauwelijks ___.
opanować się
start learning
beheersen
Probeer je ___ en rustig te blijven.
zapanować nad sobą
start learning
beheersen
Ze moest zich ___ om niets te zeggen.
powstrzymać się
start learning
beheersen
Dat onderwerp ___ me echt.
interesować, wciągać
start learning
boeit
Het ___ me niet wat hij denkt.
nie obchodzi mnie
start learning
boeit
Het was een erg ___ film.
wciągający, ciekawy
start learning
boeiende
Hij ___ instemmend.
skinął głową na znak zgody
start learning
knikte
Ze ___ even naar me.
krótko skinęła głową
start learning
knikte
Ik ___ om te laten zien dat ik het begreep.
dać znak zrozumienia
start learning
knikte
De problemen ___ zich op.
nawarstwiać się
start learning
stapelen
De kosten blijven zich ___.
rosnąć przez kumulację
start learning
stapelen
Het werk begint zich ___.
piętrzyć się
start learning
op te stapelen
Hij is niets ___.
niczego mu nie brakowa
start learning
tekortgekomen
We zijn financieel ___.
mieć niedobór
start learning
tekortgekomen
Het project is aan tijd ___.
zabrakło czasu
start learning
tekortgekomen
___ alcoholgebruik is slecht voor je gezondheid.
nadmierne spożycie
start learning
overmatig
Er is sprake van ___ lawaai.
nadmierny hałas
start learning
overmatig
Het systeem voorkomt ___ belasting.
nadmierne obciążenie
start learning
overmatige
Hij maakt ___ dezelfde fout.
ciągle, za każdym razem
start learning
telkens
Ze komt ___ te laat.
notorycznie, wciąż
start learning
telkens
Het probleem duikt ___ weer op.
w kółko, powtarzalnie
start learning
telkens
Dit programma richt zich op het ___ armoede.
zwalczać ubóstwo
start learning
bestrijden van
We gaan het ___ zoals afgesproken.
zrealizować plan
start learning
plan uitvoeren
Het team is klaar om het ___.
wdrożyć plan
start learning
plan uitvoeren
De overheid wil het plan snel ___.
przeprowadzić realizację planu
start learning
plan uitvoeren
Hij gedroeg zich niet erg ___.
przyzwoicie
start learning
fatsoenlijk
Iedereen verdient een ___ behandeling.
uczciwe, przyzwoite traktowanie
start learning
fatsoenlijke
Kun je je een beetje ___ gedragen?
zachować się kulturalnie
start learning
fatsoenlijk
Hij probeerde ___ in een rij.
wepchnąć się do kolejki
start learning
voordringen in
Je mag niet ___ in de rij.
przepychać się w kolejce
start learning
voordringen in
Het zijn vaak de kleine ___ die tellen.
drobne gesty mają znaczenie
start learning
kleine gebaren
Kleine ___ maken soms een groot verschil.
małe rzeczy robią różnicę
start learning
kleine gebaren
Hij probeert goede ___ te doen.
robić dobre rzeczy
start learning
goede dingen
Het voelt goed om goede ___ te doen.
postępować dobrze
start learning
goede dingen
Sla hier ___.
skręć w prawo/lewo
start learning
rechtsaf/linksaf
Bij het kruispunt ___ slaan.
skręcić w lewo/prawo
start learning
linksaf/rechtsaf
Je moet na de brug rechtsaf ___.
wykonać skręt w prawo
start learning
rechtsaf slaan
Hij begon te ___ toen hij boos werd.
wyzywać, kląć
start learning
schelden
Ze ___ hem uit voor alles.
obrzucać kogoś wyzwiskami
start learning
schold
Er werd luid ___ op straat.
krzyczeć obelgi
start learning
gescholden
De ___ verandert snel.
świat wokół nas
start learning
wereld om ons heen
We moeten de ___ beter begrijpen.
otaczająca nas rzeczywistość
start learning
wereld om ons heen
Wat gebeurt er in de ___?
to, co dzieje się wokół nas
start learning
wereld om ons heen
Het is pijnlijk om mensen te ___.
odrzucać ludzi
start learning
mensen afwijzen
Hij werd door zijn collega’s ___.
zostać odrzuconym
start learning
afgewezen
Ze voelt zich snel ___ door anderen.
mieć poczucie odrzucenia
start learning
afgewezen
Ik ___ hem vaak ___ in de stad.
spotykam go przypadkiem
start learning
kom tegen
Je kunt onderweg allerlei problemen ___.
napotkać trudności
start learning
tegenkomen
Dit ben ik nog nooit ___.
jeszcze się z tym nie spotkałem
start learning
tegengekomen
Er worden hoge boeten ___ voor dit soort overtredingen.
rozdawane są grzywny
start learning
boeten uitgedeeld
We ___ vast in het verkeer.
utknąć w korku
start learning
zitten
Het project ___ helemaal vast.
utknąć, stanąć w martwym punkcie
start learning
zit
De weg is weer ___.
przejezdny
start learning
begaanbaar
Het gebouw ___ na de explosie.
zawaliło się
start learning
stortte in
De brug dreigt te ___.
grozi zawaleniem
start learning
instorten
De markt ___ volledig.
załamała się (przenośnie)
start learning
stortte in
Ik kan dit tempo niet ___.
dać sobie z czymś radę
start learning
aankunnen
bardzo częste z druk, tempo, werk, stress
Hij ___ de druk nauwelijks ___.
bardzo częste z druk, tempo, werk, stress
ledwo znosi presję
start learning
kon niet aan
Denk je dat je het werk ___?
bardzo częste z druk, tempo, werk, stress
start learning
aankunt
Het onderzoek ___ nieuwe informatie ___.
dostarczyć informacji
start learning
leverde informatie op
De camera’s ___ weinig ___ op.
dawać informacje
start learning
leveren informatie op
często z „weinig/geen”
Dit gesprek heeft waardevolle informatie ___.
przynieść informacje
start learning
informatie opgeleverd
Boeren ___ snelwegen om aandacht te vragen.
blokować drogi
start learning
staken
De actievoerders hebben de snelweg ___.
zablokować
start learning
gestaakt
Bij het protest werd het verkeer ___.
zatrzymany
start learning
gestaakt
Hij heeft vandaag 30 km ___.
pokonać dystans
start learning
afgelegd
używane z „afstand/km”, sport i podróż
We moeten nog een lange afstand ___.
przebyć drogę
start learning
afleggen
De trein ___ dagelijks honderden kilometers.
pokonywać
start learning
legt af
De verdachte moet binnenkort voor ___.
stanąć przed sądem
start learning
voor de rechter staan
Hij stond gisteren voor ___.
być sądzonym
start learning
voor de rechter
Steeds meer zaken komen voor ___.
trafiać do sądu
start learning
voor de rechter
Wat was haar ___?
co jej się przydarzyło
start learning
overkomen
iets overkomt iemand
Het is haar al eens eerder ___.
to już jej się zdarzyło
start learning
overkomen
Hij schakelde ___ de ___.
zmieniać bieg lewarkiem
start learning
met de versnellingspook
instrument: zawsze „met de”
Je schakelt met de ___ naar de derde versnelling.
przerzucić na 3. bieg
start learning
met de versnellingspook
Hij had zijn hand op de ___.
lewarek biegów
start learning
versnellingspook
Hij wordt verdacht van ernstige ___.
być podejrzanym o przestępstwa
start learning
van misdaden
standard: „verdacht van”
De rechter veroordeelde hem voor meerdere ___.
skazać za przestępstwa
start learning
voor misdaden
altijd „veroordeeld voor”
Zij pleegden zware ___.
popełniać przestępstwa
start learning
misdaden plegen
częsty czasownik „plegen”
Ik vind wat er is gebeurd ___.
uważać za odrażające
start learning
afschuwelijk vinden
Het is ___ dat hij niet reageerde.
zwracające uwagę
start learning
opvallend
Wat ik ___ vond, was zijn stilte.
uderzające
start learning
opvallend
Het meest ___ aan het rapport is de toon.
rzucający się w oczy
start learning
opvallend
De politie ___ het wapen ___ hem ___.
zabrać komuś
start learning
pakten van hem af
Ze hebben zijn telefoon ___.
zabrać siłą
start learning
afgepakt
Niemand mag je vrijheid ___.
odebrać
start learning
afpakken
także metaforycznie (rechten/vrijheid)
De gemeente gaat een nieuwe weg ___.
budować (drogę)
start learning
aanleggen
Het schip ___ bij de haven.
przybić (do portu)
start learning
legt aan bij
Hij was ___ over het verlies.
smutny z powodu
start learning
treurig over
Ik ben hem gisteren ___.
spotkać przypadkiem
start learning
tegengekomen
Je kunt onderweg problemen ___.
napotkać
start learning
tegenkomen
Dat ben ik nog nooit ___.
jeszcze się z tym nie spotkać
start learning
tegengekomen
Ik wil dit probleem bij mijn leidinggevende ___.
poruszyć problem
start learning
bij mijn leidinggevende aankaarten
Ze hebben de kwestie bij de gemeente ___.
zgłosić sprawę
start learning
bij de gemeente aangekaart
Hij durfde het onderwerp niet ___.
podnieść temat
start learning
aankaarten
De bestuurder is overheen het slachtoffer ___.
przejechać po kimś
start learning
overheen gereden
Hij dreigde over iemand ___.
przejechać kogoś
start learning
over iemand heen rijden
De auto ___ een fiets eroverheen.
przejechać po czymś
start learning
reed eroverheen
zawsze z „heen/erover”
Er ___ vannacht een brand uit.
wybuchł pożar
start learning
brak brand uit
In het gebouw ___ een brand uit.
doszło do pożaru
start learning
brak een brand uit
Er ___ een brand uit in een loods.
wybuchł pożar w
start learning
brak een brand uit in
Loop ___ en sla linksaf.
dalej
start learning
verder op
Het restaurant ligt iets ___.
nieco dalej
start learning
verder op
De ruiten van de winkel werden ___.
wybite szyby
start learning
ruiten ingeslagen
Iemand heeft de ___ van de auto kapotgemaakt.
zbić szyby
start learning
ruiten van
De brandweer heeft de brand ___.
ugasić pożar
start learning
brand geblust
Het lukte om de brand snel te ___.
zgasić ogień
start learning
brand te blussen
De brand is inmiddels ___.
pożar zgasł
start learning
brand is uit
Mensen stonden in elkaar ___.
ściśnięci
start learning
in elkaar gedrukt
Hij werd door de druk in elkaar ___.
zgnieciony przez nacisk
start learning
door de druk in elkaar gedrukt
Het feestje werd helemaal ___.
zepsuty
start learning
verpest
stan po zdarzeniu
Dat incident heeft zijn reputatie ___.
zrujnować
start learning
verpest
często metaforycznie (reputatie/sfeer)
De ___ van het evenement was sober.
oprawa wydarzenia
start learning
aankleding van
Ze zorgden voor een feestelijke ___ bloemen.
dekoracja
start learning
aankleding met
Je moet de code ___.
wpisać (kod)
start learning
intikken
PIN/wachtwoord, klawiatura
Hij ___ het adres in zijn telefoon.
wpisał
start learning
intikte in
Ze ___ het bedrag in op de computer.
wprowadzić dane
start learning
intikte in
De plannen worden ___ door regels.
utrudnione
start learning
dwarsgezeten
Dat ___ mij enorm.
przeszkadza
start learning
dwarszit
De regels ___ het project.
utrudniać
start learning
tegenwerken
Hij voelt zich door het systeem ___.
być blokowanym
start learning
tegengewerkt
często pasyw
De dozen stonden ___.
na sobie
start learning
op elkaar
Mensen botsten ___.
na siebie
start learning
op elkaar
Ze waren boos ___.
na siebie
start learning
op elkaar
We moeten dringend ___.
podjąć działania
start learning
maatregelen nemen
Dat probleem staat nu ___.
na porządku dziennym
start learning
aan de orde
Hij staat enorm ___.
pod presją
start learning
onder druk
Dit speelt een grote ___.
odgrywać rol
start learning
rol spelen
Je moet rekening ___ anderen.
brać pod uwagę
start learning
houden met
zawsze „met”
We hebben samen een beslissing ___.
podjęliśmy decyzję
start learning
genomen
collocatie z „nemen”
Ze trok meteen de ___.
przyciągnęła uwagę
start learning
aandacht
Hij zette alles ___.
na wszystko
start learning
op alles
Het plan kwam eindelijk ___.
klarować się
start learning
tot stand
Het gesprek liep helemaal ___.
utknął
start learning
vast
Ik kan hier niet meer ___.
znieść tego
start learning
tegen
Hij gaf zijn fout meteen ___.
przyznał się
start learning
toegeven
We moeten dit rustig ___.
wyjaśnić rozmową
start learning
uitpraten
Ze rekent volledig ___ hem.
liczy na
start learning
op
Dat nam ik maar ___.
machnąć ręką
start learning
voor lief
idiom codzienny
Hij liet dat idee ___.
odpuścił
start learning
varen
potoczne
De sfeer sloeg ineens ___.
zmieniła się
start learning
om
Dat kwam hard ___.
dotarło mocno
start learning
aan
emocjonalne
We zijn daar samen ___.
przetrwaliśmy
start learning
doorheen gekomen
życie/codzienność
Hij stond er helemaal ___.
został sam
start learning
alleen voor
relacje/praca
Ze botsten recht ___ elkaar.
zderzyli się
start learning
op
Dat zit me echt ___.
przeszkadza mi
start learning
dwars
Het begon me ineens ___.
zaczęło docierać
start learning
te dagen
mentalny proces
Hij werkte me constant ___.
działał przeciwko
start learning
tegen
Hij stond versteld ___ haar reactie.
był zdumiony
start learning
van
We kwamen elkaar toevallig ___.
spotkaliśmy się
start learning
tegen
przypadkowo
Dat liep volledig ___ de hand.
wymknęło się spod kontroli
start learning
uit de hand
Veel mensen raken ___ door stress.
przeciążeni
start learning
overbelast
Hij is volledig ___ geraakt.
wypalony
start learning
overbelast geraakt
Het systeem raakte ___ door de druk.
przeciążony
start learning
overbelast
Hij werd ___ een muur.
przygnieciony do
start learning
vastgedrukt tegen
De menigte drukte mensen ___ elkaar.
zgniatać
start learning
drukte vast
Ze wilden het probleem ___ tot een kans.
przekuć w
start learning
omsmeden tot
Hij probeerde kritiek ___ tot iets positiefs.
przekształcić
start learning
omsmeden tot
De tegenslag werd ___ tot een succes.
przekuty w
start learning
omgesmeed tot
idiomatyczne
De politie probeert de dader ___.
namierzyć
start learning
op te sporen
standard newsowy
Het virus werd snel ___.
wykryty
start learning
opgespoord
Ze proberen fouten ___.
wyłapać
start learning
op te sporen
Je moet je beloften ___.
dotrzymywać obietnic
start learning
nakomen
mówisz, robisz
Ze is iemand die haar beloften altijd ___.
można na niej polegać
start learning
nakomt
osoba godna zaufania
Je moet je afspraken ___.
wywiązywać się z ustaleń
start learning
nakomen
praca, szkoła
Het project levert veel winst ___.
projekt przynosi zysk
start learning
op
rezultat finansowy
Deze aanpak levert goede resultaten ___.
ta metoda daje wyniki
start learning
op
praca, strategia
Hij werd ___ voor geld.
był szantażowany
start learning
afgeperst
groźby za pieniądze
De man probeerde haar ___.
próbował ją wymusić
start learning
af te persen
groźba, presja
Ze deed haar jas ___.
założyła kurtkę
start learning
aan
ubieranie
Doe het licht ___.
włącz światło
start learning
aan
urządzenia, światło
Dat heeft me veel pijn ___.
wyrządziło mi ból
start learning
aangedaan
emocjonalna krzywda
Hij ___ zich in bed.
obrócił się w łóżku
start learning
draaide
codzienne ruchy ciała
Ze ___ zich naar het raam.
odwróciła się w stronę okna
start learning
draaide
kierunek uwagi
De hond ___ zich om toen hij geluid hoorde.
pies się odwrócił
start learning
draaide
reakcja na bodziec
Ik ___ het haar succes.
życzę jej sukcesu
start learning
gun
codzienna empatia, pozytywne nastawienie
Ze ___ hem een fijne vakantie.
życzy mu udanych wakacji
start learning
gunt
coś przyjemnego dla kogoś
De verdachte ___ nog steeds in de gevangenis.
osoba nadal jest w więzieniu
start learning
is
stan faktyczny, pasyw
Hij ___ gevangen na de overval.
został uwięziony po napadzie
start learning
werd
czas przeszły, pasyw

You must sign in to write a comment