English Dutch Dictionary

English - Nederlands, Vlaams

take in Dutch:

1. nemen nemen


Telkens als we op reis gaan, nemen we een kaart mee.
Welke krant nemen jullie?
Gedane zaken nemen geen keer.
Ik moet medicijnen nemen.
Om een goede advocaat in de arm te nemen? vroeg Al-Sayib.
Hij had het lef mijn auto te nemen zonder toestemming te vragen.
Ik zal de maatregelen nemen die mij noodzakelijk lijken.
Het is beter de tijd te nemen voor dit werk, dan u te haasten en fouten te maken.
Een Engelsman, een Belg en een Nederlander gaan een café binnen en nemen plaats aan de toog. Zegt de barkeeper: "Wacht even, is dit een mop of zo?"
Kinderen nemen de gewoontes van hun ouders over.
Naar aanleiding van de demografische gegevens was de regering genoodzaakt een beleid aan te nemen dat het geboortecijfer zou stimuleren.
Je moet zijn woorden niet ernstig nemen, op elk ogenblik is hij iemand anders.
Het handige van dit elektronische woordenboek is dat je het makkelijk mee kan nemen.
Van hard werken is nog nooit iemand dood gegaan. Maar waarom het risico nemen?!
Enkel diegenen die het risico nemen om te ver te gaan, weten tot hoever ze mogen gaan.

Dutch word "take"(nemen) occurs in sets:

2000 Most Used Dutch Words (1/2)
Werkwoorden op frekwentie

2. neem neem


Ik neem ontslag.
Als je aandringt om iets mee te brengen, neem a.u.b. enkel een bloem mee.
Hmm. Ik heb het gevoel dat ik ga verdwalen, welke weg ik ook neem.
Neem deze medicatie. Je zal je snel beter voelen.
Om een verkoudheid te vermijden, neem veel vitamine C.
Breng mij een proper bord en neem het vuile bord weg.
Ik neem meestal een tijdschrift mee als ik op reis ga.
Neem je ontbijt alleen, neem het middagmaal met je vriend en geef je avondmaal aan je vijand.
Deze wil ik wel, ik neem hem.
Neem maar cake: het is zelfbediening.
Morgenvroeg om 7 uur neem ik u mee naar school.
Neem dat fototoestel en geef het mij, dat ik er kan naar kijken.
Ik neem nooit het vliegtuig, en jij?
Nou, dan neem ik kip.
Als hij vloeiend Engels spreekt, neem ik hem aan.

Dutch word "take"(neem) occurs in sets:

Most common Dutch words 151 - 200