English Dutch Dictionary

English - Nederlands, Vlaams

ride in Dutch:

1. rit


Ik ben heel moe van een lange rit.
In de trein was zo druk dat ik de hele rit heb moeten staan.

2. tocht


Doe de deur eens dicht, het tocht hier.

Dutch word "ride"(tocht) occurs in sets:

engels h1 study 2
studybox 2 h1

3. vaart


Deze tanker vaart naar Koeweit.
Zonder geluk vaart niemand wel.

4. rijden


We leren paardrijden.
Je moet niet rijden onder invloed van drank.
Ik moet sneller rijden om de verloren tijd in te halen.
Het is gevaarlijk om zo snel te rijden.
Mijn ouders raadden mij af alleen te rijden.
Hij was te dronken om naar huis te rijden.
Wie durft op een leeuw rijden?
Ik ben van plan morgen naar Hokkaido te rijden.
Ik loop liever dan te rijden in een grootstad als Tokio.
In het nieuwe jaar zullen de treinen de hele nacht door rijden.
Auto's rijden links in Japan.
Men moet een paard de rug niet stuk rijden.
Jim is het nog niet gewend van aan de linkerkant van de weg te rijden.
In de meeste europese landen moeten auto's rechts rijden.
Met de moto rijden kan gevaarlijk zijn voor jongeren.

Dutch word "ride"(rijden) occurs in sets:

2000 Most Used Dutch Words (1/2)

5. attractie