Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

otwierać in Dutch:

1. opendoen opendoen


Kan iemand de deur opendoen alsjeblieft?
Moet ik alles opendoen?

Dutch word "otwierać"(opendoen) occurs in sets:

czasowniki rozdzielnie złożone
czasowniki pl - nd

2. openen openen


Kan je de deur openen?
Ze vroeg zich af welke deur ze moest openen.
Ik vroeg Tom het raam te openen.
Ze vierden het succes door een fles wijn te openen.
Door op deze knop te drukken zal het raam automatisch openen.
Sadako wou er nog meer aan toevoegen, maar haar mond wou maar niet openen.
Wees voorzichtig bij het openen van het pakje, om het snoepbeertje niet te beschadigen.
Door mijn mond te openen op het verkeerde moment bracht ik voortdurend mijzelf en mijn vrienden in verlegenheid.

Dutch word "otwierać"(openen) occurs in sets:

500 czasowników po niderlandzku 201 - 250