Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

zły in Dutch:

1. slecht slecht


De laatste tijd slaap ik erg slecht.
Hij ziet slecht.
Het is slecht weer. Het is koud en het regent.
Roken is slecht voor de gezondheid.
Een kind wordt niet slecht door kattenkwaad, maar door een slechte vriend.
Er zijn drie soorten onwetendheid: niets weten, slecht weten en niet datgene weten, wat nodig is te weten.
Jessie sprak slecht Frans en nog slechter Duits.
De mensen zijn slecht, ze denken alleen aan zichzelf; alleen ik denk aan mij.
Ik weet niet waarom ik slecht gezind ben deze morgen.
Slaapt ge slecht?
Met onwillige honden is het slecht hazen vangen.
Haar luiheid was een slecht teken voor de toekomst.
Anderen bedriegen is slecht, maar jezelf bedriegen is nog veel slechter.
Bij slecht weer is het gevaarlijk op de bergen te gaan klimmen.
In het koetsje zat een heer, niet knap, maar ook niet slecht van uiterlijk, niet al te dik, niet al te dun; oud kon hij niet genoemd worden, maar hij was ook niet al te jong.

Dutch word "zły"(slecht) occurs in sets:

300 określeń po niderlandzku 1 - 50
adjectives adverbs Pools

2. boos boos


Ik ben niet boos, verre van dat zelfs.
Word niet boos.
Ik ben boos op mezelf.
Ik denk dat hij boos was.
Zo gauw als ik hem zag, wist ik dat hij boos was.
Mama en papa worden vast niet boos.
Het antwoord maakte mij boos.
Ik ben boos op mijn vriendin
Dat is waar hij boos om was.
Ik ben bang dat ik je boos zou maken.
Ze was boos op haar zoon.
Jim is boos omdat zijn vriendin hem liet zitten bij hun filmafspraakje. Hij stond wel een uur in de regen op haar te wachten.
Hij zei niets, wat haar boos maakte.
Weet jij waarom ze zo boos is?
De maat is vol! zei de waard boos terwijl hij mijn glas nog een laatste keer vol schonk.

Dutch word "zły"(boos) occurs in sets:

1000 najpopularniejszych słów po niderlandzku 701 ...