Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

stan in Dutch:

1. staat staat


Dat staat u goed.
O jeetje... zuchtte Al Sayib. "Nou, hoeveel heb je nodig? Er staat iets van 10 mille op mijn offshore rekening te staan."
Als je niet met je voeten bij de grond kunt, moet je het zadel verstellen, want dan staat het te hoog.
Mag ik even bij dit kastje? Je staat een beetje in de weg.
Het heeft niks met mij te maken, staat gelijk aan dat ik hier niet hoef te zijn. Daarom ga ik hier weg, ongeacht wat er gezegd zal worden.
Dit televisietoestel is in slechte staat.
Ik denk dat de zaak er wat anders voor staat wanneer je hierover nadenkt op de lange termijn.
Op het labeltje aan mijn sjaal staat: "Binnenstebuiten wassen en strijken." Ik vraag me af hoe ik dat moet doen.
Sinds jaar en dag staat hij iedere dinsdagmorgen op de markt met zijn viskraam.
Op onze website, http://www.example.com, staat alle informatie die je nodig hebt.
De radio staat te luid. Kunt ge hem niet wat stiller zetten?
Dit kerkhof heeft zelfs een eigen site, en daarop staat een pagina "Nieuws". Kunnen jullie het je voorstellen, nieuws van de begraafplaats?!
Eh, meneer... Wat op het bord staat, is geen exponentiële functie, maar een goniometrische...
Als je in staat bent om met jezelf te spotten, deert de spot van jaloerse mensen je niet meer.
In het Stalinistische tijdperk werden gevangenen in concentratiekampen slaven in dienst van de staat.

2. de staat de staat



Dutch word "stan"(de staat) occurs in sets:

1000 rzeczowników po niderlandzku 151 - 200