Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

stacja in Dutch:

1. het station het station


Waar is het station?
op het station

Dutch word "stacja"(het station) occurs in sets:

LES 3 Basistekst, taalhulp, uitdrukkingen

2. station


Eenmaal op het station aangekomen, belde ik mijn vriend op.
Het is handig om zo dicht bij het station te wonen.
Ze reden naar het station per auto.
Hoe ver is het van hier tot het station?
Ik was in het station van Kioto om afscheid te nemen van mijn vader.
Uit welk station vertrekt de trein?
Sta bij het station om 11 uur precies.
Hij was zo vriendelijk om me een lift naar het station te geven.
De man die ge bij het station ontmoet hebt, is mijn vader.
Twintig minuten waren er nodig om te voet van het station naar de school te gaan.
Zou u me kunnen vertellen hoe ik bij het station kom?
De trein stopt op elk station.
Hij zal naar het station moeten gaan.
Vanochtend bij het station werd haar aandacht getrokken door een affiche met dikgedrukte letters.
Waar is het station?