Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

cukier in Dutch:

1. de suiker de suiker



Dutch word "cukier"(de suiker) occurs in sets:

Żywność i kuchnia
słówka - kurs podstawowy

2. suiker suiker


Melk? Suiker?
Doe geen suiker in uw thee.
Ik mag niets eten dat suiker bevat.
Alle suiker is op de grond gevallen.
Tijdens de oorlog hebben we het dikwijls zonder suiker moeten stellen.
Voeg 80 gram suiker toe en wat Grand Marnier.
Zij heeft suiker en zout verwisseld.
Suiker lost op in water.
Neemt u me niet kwalijk, kunt u me de suiker aangeven?
We hebben geen suiker.
Hij verkoopt suiker en zout in de winkel.
Hij houdt van koffie zonder suiker.
Klop het eiwit op met de rest van de suiker, en voeg er daarna beetje bij beetje de likeur aan toe.
De suiker is op bij ons.
Wij drinken onze thee met suiker.