French Dutch Dictionary

Français - Nederlands, Vlaams

présent in Dutch:

1. aanwezig aanwezig


Ik zou graag aanwezig zijn op het feest de eerste november.
Het is niet nodig dat we bij de voordracht aanwezig zijn.
Er waren duizenden mensen aanwezig.
Verscheidene leerlingen waren niet aanwezig op school wegens verkoudheid.
Hij is aanwezig op de vergadering.
Niemand was aanwezig.
Elk lid van de club was aanwezig.
Veel mensen waren aanwezig op het feest.
Wees aanwezig.
Bij de plechtigheid waren onder anderen de Duitse bondskanselier Angela Merkel, Europarlementsvoorzitter Martin Schulz (de winnaar van vorig jaar), en de Spaanse koning Felipe aanwezig.