English Dutch Dictionary

English - Nederlands, Vlaams

short in Dutch:

1. kort kort


Ze heeft kort haar.
Toen ik haar vroeg naar haar werk zei ze dat het te ingewikkeld was om daar kort iets over te kunnen zeggen.
Het leven is te kort om Duits te leren.
Het plezier was kort.
Kort gezegd, hij is getrouwd met zijn eerste liefde.
Een kort middagdutje en hoplakee, ik ben weer fris als een hoentje.
Ik kom woorden te kort om de schoonheid van dit landschap te beschrijven.
Een verkwister geniet maar kort, een gierigaard nooit.
Mijn moeder was tot voor kort in het ziekenhuis.
Kort gezegd, ik ben niet akkoord.
Ik heb kort geleden een auto-ongeluk gehad.
Kort haar vind ik leuk.
Hij liet zijn haar kort knippen.
De tijd is kort, we moeten NU iets doen.
Laten we kort een belangrijk gevolg van de groepentheorie in herinnering brengen.

Dutch word "short"(kort) occurs in sets:

De populairste Engelse woorden 751 - 800
Top 300 adjectives in Dutch 1-50
Werkwoorden op frekwentie