Infinitief, Imperrfectum, Perfectum

 0    20 flashcards    iwciajulia
download mp3 print play test yourself
 
Question Answer
założyć
start learning
aandoen (deed aan, deden aan, aangedaan)
przybyć
start learning
aankomen (kwam aan, kwamen aan, aangekomen)
skończyć
start learning
aflopen (liep af, liepen af, afgelopen)
zwracać, zwrócić o coś
start learning
aanvragen (vroeg aan, vroegen aan, aangevraagd)
piec, smażyć
start learning
bakken (bakte, bakten, gebakken)
zaczynać
start learning
beginnen (begon, begonnen, begonnen)
rozumieć
start learning
begrijpen (begreep, begrepen, begrepen)
tapetować
start learning
behangen (behing, behingen, behangen)
ruszać się
start learning
bewegen (bewoog, bewogen, bewogen)
wizyta, odwiedziny
start learning
bezoeken (bezocht, bezochten, bezocht)
gryźć
start learning
bijten (beet, beten, gebeten)
dmuchać
start learning
blazen (blies, bliezen, geblazen)
zostać
start learning
blijven (bleef, bleven, gebleven)
złamać, zepsuć
start learning
breken (brak, braken, gebroken)
przynieść
start learning
brengen (bracht, brachten, gebracht)
myśleć
start learning
denken (dacht, dachten, gedacht)
robić
start learning
doen (deed, deden, gedaan)
nosić
start learning
dragen (droeg, droegen, gedragen)
pić
start learning
drinken (dronk, dronken, gedronken)
zmywać
start learning
afwassen (waste af, wasten af)

You must sign in to write a comment