Swedish Dutch Dictionary

Svenska - Nederlands, Vlaams

pank in Dutch:

1. brak brak


Het was gisteren dat ik per ongeluk het raam brak.
Hij brak de ruit met opzet.
Ze viel naar beneden en brak haar linkerbeen.
Joan brak haar linkerarm in het ongeluk.
De inbreker brak in het huis onder dekking van de nacht.
Je brak de regels.
De bamboe week maar brak niet.
Het paard brak zijn nek toen het viel.
De twee kinderen trokken aan het touw tot het brak.
De oorlog brak uit in 1939.
Hij brak het wereldrecord.