Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

sobota in Dutch:

1. Zaterdag Zaterdag


Het is zaterdag.
Zaterdag zijn we naar de film geweest en daarna naar het restaurant.
Hij is zaterdag aangekomen in Kyoto.
Ik moet het boek voor zaterdag terugbrengen.
Zaterdag is mijn vader vrij.
Je moet niet naar het kantoor komen op zaterdag.
Het zou mooi zijn als u ons zaterdag belt.
Vandaag is het zaterdag en morgen zal het zondag zijn.
We hebben een feest volgende zaterdag.

Dutch word "sobota"(Zaterdag) occurs in sets:

dni tyg. miesiące, pory roku
Rozdział III - liczby i czas
Niderlandzki - pierwsze 100
dni tygodnia
Dni Tygodnia