Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

rozmowa in Dutch:

1. praten praten


Het is moeilijk praten tegen hem.
Ik kan over alles praten met mijn beste vriend.
Laten we er na school over praten.
Zodra ik goed Nederlands spreek, ga ik met Vlaamse meisjes praten.
Kunnen we praten?
Ik vroeg hem om op te houden met praten maar hij bleef doorgaan.
Dat meisje dat met John aan het praten is, dat is Susan.
Italianen praten zelden over politiek.
Hij kan geen woord Frans, maar hij kan wel Engels praten alsof het zijn moedertaal is.
Werk, in plaats van te praten!
Kan ik met iemand praten die Japans spreekt?
Stoor me alsjeblieft niet als ik sta te praten.
Honden kunnen niet praten, maar het leek alsof de ogen van het hondje zeiden: "Nee, ik heb geen thuis."
De man waar ik mee aan het praten was is mijn leerkracht Engels.
Nu is het niet het geschikte moment om daarover te praten! Niet?

Dutch word "rozmowa"(praten) occurs in sets:

czasowniki do szkoly

2. gesprek gesprek


Helaas, in gesprek.
Hij was altijd bereid voor een gesprek en zeer verdraagzaam.
Ons gesprek werd onderbroken door een niesbui.
En? vroeg de ongeduldige verkoopster toen Dima het gesprek beëindigd had. "Is alles nu in orde?"
Wilt ge mij voorstellen aan de jongedame die in gesprek is met mevrouw Allen?
Veel Amerikanen voelen zich ongemakkelijk bij een stilte, en ze beschouwen een stilte tijdens een gesprek als een teken dat ze zelf moeten beginnen spreken.
Het diplomatieke gesprek hielp een einde te maken aan het conflict.
Dit gesprek wordt geregistreerd.
Ik belde haar, maar ze zat in een gesprek.
Ik kan geen gesprek aanknopen met nieuwe mensen.
Ik was de hele week alleen, en smachtte naar een gesprek.
Als ge iemand vragen kunt doen stellen, stuurt ge het gesprek naar uw doel.
We vervolgen het gesprek.
Ik moet een serieus gesprek hebben met Nikolai Aleksejevitsj.
Hun gesprek ging over hun reis.

3. gespreksstof gespreksstof



4. de gespreksstof de gespreksstof



5. conversatie conversatie


De professor geeft les in Engelse conversatie.

6. overleg overleg


Na veel overleg besloten we onze vakantie in Spanje door te brengen.

7. het gesprek het gesprek



Dutch word "rozmowa"(het gesprek) occurs in sets:

1000 rzeczowników po niderlandzku 401 - 450