Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

poprzedni in Dutch:

1. voorgaande



2. vorig


Vorig jaar reden zij naar Kyoto.
Deze zomer werden er geen beurzen meer toegekend aan de studenten die er vorig jaar een kregen.
Er was veel sneeuw vorig jaar.
De Japanse economie is vorig jaar met 4 % gegroeid.
Dit jaar bieden we dezelfde taalcursus aan als vorig jaar.
Vergeleken met vorig jaar is de winst met een derde verminderd.
Vorig seizoen is hij gestopt met honkballen.
Hij ging vorig jaar naar Amerika om zijn Engels bij te schaven.
Om de waarheid te zeggen, we zijn vorig jaar getrouwd.
Hij bezocht Kyoto vorig jaar.
Om een situatie als vorig jaar, toen er een pekeltekort was, te voorkomen, hebben veel mensen nu al ruim voor de eerste vorst een voorraadje strooizout ingeslagen.
Ik ben vorig jaar naar Japan gekomen.
Waarom woonde je in Kyoto vorig jaar?
Vorig jaar kwam ik terug thuis en was ik verrast, dat het dorp en de mensen helemaal veranderd waren.
Is hij in Hokkaido geweest vorig jaar?