Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

krowa in Dutch:

1. koe koe


Ik heb nog nooit een echte koe gezien.
Men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan.
Een koe zegt "boe" en een varken "knor".
De koe voorziet ons van melk.
Is dit een koe of een buffel?
Je moet de koe bij de horens vatten!
De koe geeft ons melk.
Vliegt hoog de koe en laag het kind, dan is dat wel een wervelwind.
Er is geen koe zo bont of er zit wel aan vlekje aan.
De koe zegt "boe", de haan zegt "kukelekuu", het varken zegt "knor", de eend zegt "kwak" en de kat zegt "miauw".
Je weet nooit hoe een koe een haas vangt.

2. een koe een koe



3. de koe de koe


1. Wat zeg een koe? Een koe zegt "moe". (de koeien) 2. Deze koe is moe.