Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

jeździć in Dutch:

1. rijden rijden


We leren paardrijden.
Je moet niet rijden onder invloed van drank.
Ik moet sneller rijden om de verloren tijd in te halen.
Het is gevaarlijk om zo snel te rijden.
Mijn ouders raadden mij af alleen te rijden.
Hij was te dronken om naar huis te rijden.
Wie durft op een leeuw rijden?
Ik ben van plan morgen naar Hokkaido te rijden.
Ik loop liever dan te rijden in een grootstad als Tokio.
In het nieuwe jaar zullen de treinen de hele nacht door rijden.
Auto's rijden links in Japan.
Men moet een paard de rug niet stuk rijden.
Jim is het nog niet gewend van aan de linkerkant van de weg te rijden.
In de meeste europese landen moeten auto's rechts rijden.
Met de moto rijden kan gevaarlijk zijn voor jongeren.

Dutch word "jeździć"(rijden) occurs in sets:

czasowniki pl - nd