Norwegian Dutch Dictionary

Norsk - Nederlands, Vlaams

natur in Dutch:

1. landschap landschap


De nieuwe gasten hielden van het landschap.
Ik heb nog nooit een zo uitgestrekt landschap gezien.

2. natuur natuur


Wie de natuur vernielt, houdt niet van kinderen.
Gewoonte is een tweede natuur.
Nederland heeft van alles te bieden qua natuur: duinen, heidevelden, wadden, koraalriffen, mangrovebossen en nog veel meer.
De twaalf dieren van de Chinese dierenriem komen van elf diersoorten die in de natuur voorkomen, met name de rat, os, tijger, konijn, slang, paard, aap, haan, hond en varken, en ook de legendarische draak; ze worden als kalender gebruikt.
De natuur bedriegt ons nooit; het zijn altijd wij die onszelf bedriegen.
Ik wandel graag in de natuur.
Het evenwicht van de natuur is heel kwetsbaar.
Elk weekeind moet ik de natuur in, anders heb ik geen goede week daarna.
Ik dacht altijd dat een hartaanvaal de manier was waarop de natuur je vertelt dat je moet sterven.
Ik zou graag de stad verlaten en opnieuw de natuur ontdekken.
Scheikunde is de wetenschap die de natuur en eigenschappen van substanties bestudeert.
Ik hou van de natuur.
Het heidendom staat veel dichter bij de natuur dan het christendom.
We moeten leren in harmonie leven met de natuur.