Norwegian Dutch Dictionary

Norsk - Nederlands, Vlaams

kake in Dutch:

1. cake cake


Het heeft geen zin naar de cake te zoeken: ik heb hem al opgegeten.
Ik was cake aan het bakken.
Deze cake is erg zoet.
Men kan niet tegelijk de cake eten en hem onaangeroerd laten.
Wil je nog een stuk cake?
Dank u, ik zou wel nog een stukje cake willen, zei de schuchtere jonge man.
Mag ik deze cake eten?
Neem maar cake: het is zelfbediening.