French Dutch Dictionary

Français - Nederlands, Vlaams

heureux in Dutch:

1. verheugd verheugd


Heb ik me de hele week erop verheugd dat het donderdag zou gaan sneeuwen, nou is het donderdag, sneeuwt 't niet!
Als je met je vrienden komt, zal ik nog meer verheugd zijn.

2. blij blij


Ben je blij?
Kom naar Transkarpatië, we zullen blij zijn u te ontvangen, we zullen u onthalen met zelfgestookte wodka en varkensvet in chocolade!
Oleg is blij dat iemand van hem houdt.
Bob was heel blij.
Je kan je niet inbeelden hoe blij ze was.
Ik word er blij van als ik geld uitgeef aan boeken.
Ik was blij met haar onverwacht bezoek.
George is arm maar altijd blij.
Blij zijn zij die van bloemen houden.
Zijn ouders waren blij dat in zijn examen geslaagd was.
Ik was blij haar stem te horen, maar haar eerste zin was: "Ik dacht al dat ge mij vergeten waart."
Maak je geen zorgen, wees blij!
Ze zou al heel blij zijn als haar ouders haar iets vrijer lieten.
Kijk eens aan. Wat een geweldige cadeautjes! Wat ben ik blij!
Ik heb blij uitgekeken naar uw komst.