French Dutch Dictionary

Français - Nederlands, Vlaams

discuter in Dutch:

1. praten over praten over


Ze praten over jou.

2. kletsen kletsen


Ze zou nog eerder zinnen op Tatoeba vertalen, dan met mij te kletsen.

Dutch word "discuter"(kletsen) occurs in sets:

hoofdstuk 1 frans woordjes H ne-fa

3. praten praten


Het is moeilijk praten tegen hem.
Ik kan over alles praten met mijn beste vriend.
Laten we er na school over praten.
Zodra ik goed Nederlands spreek, ga ik met Vlaamse meisjes praten.
Kunnen we praten?
Ik vroeg hem om op te houden met praten maar hij bleef doorgaan.
Dat meisje dat met John aan het praten is, dat is Susan.
Italianen praten zelden over politiek.
Hij kan geen woord Frans, maar hij kan wel Engels praten alsof het zijn moedertaal is.
Werk, in plaats van te praten!
Kan ik met iemand praten die Japans spreekt?
Stoor me alsjeblieft niet als ik sta te praten.
Honden kunnen niet praten, maar het leek alsof de ogen van het hondje zeiden: "Nee, ik heb geen thuis."
De man waar ik mee aan het praten was is mijn leerkracht Engels.
Nu is het niet het geschikte moment om daarover te praten! Niet?

4. bespreken bespreken


Ik heb een urgente zaak met je te bespreken.
Ze bespreken het probleem.
Alleen ga ik niet naar de cinema, want na de film wens ik die graag te bespreken met iemand.
Ik zal het probleem uitvoerig met je bespreken.
Zullen we dit bespreken onder een kop koffie?
Ik zal dat met hem bespreken als hij nog eens komt.
een kamer in een hotel bespreken
1. een kamer in een hotel bespreken 2. een probleem bespreken 3. een boek bespreken