Spanish Dutch Dictionary

español - Nederlands, Vlaams

salir in Dutch:

1. weggaan weggaan


U kunt maar beter weggaan.
Als je het niet leuk vindt dan kan je weggaan.
Mijn vader zou juist weggaan, als de telefoon ging.
Dat zal vanzelf weggaan binnen twee weken.
Ge moogt weggaan, op voorwaarde dat ge tegen vijf uur terug zijt.
Ik kan niet weggaan, en dat wil ik ook niet.
Je kan beter niet weggaan, nadat het donker geworden is.
Ik zag Andrea van huis weggaan.
Ik heb een hardnekkige hoest, hij wil maar niet weggaan.
Weggaan is een beetje doodgaan, maar doodgaan is meer dan weggaan.
In april zal hij uit Japan weggaan.

Dutch word "salir"(weggaan) occurs in sets:

SPAANS WW H5/6

2. vertrekken vertrekken


Volgende maand vertrekken we naar Zuid-Amerika.
Je moet vertrekken.
Laat ons vertrekken van zodra hij terug is.
Mijn vader drong aan dat we zouden vertrekken.
We moesten rennen om onze overstap te halen. Om twee voor half drie kwamen we aan op spoor één, en om één over half zou onze trein vertrekken van spoor achttien.
We zijn gekomen met regen maar vertrekken in de zon.
Binnen hoeveel tijd zal die bus vertrekken?
Ik ben van plan om volgende week naar Europa te vertrekken.
Het houdt juist op met regenen, laat ons dus vertrekken.
Niemand mag vertrekken zonder toestemming.
Waarvandaan vertrekken de bussen naar het vliegveld?
Ik verkoos te vertrekken in plaats van achter te blijven.
In geval dat het regent, zal ik niet vertrekken.
De trein was al aan het vertrekken toen ik in het station aankwam.
Het zou zo goed zijn als ik nu op reis kon vertrekken!