Spanish Dutch Dictionary

español - Nederlands, Vlaams

daño in Dutch:

1. schade schade


Het zal schade aanrichten aan de oogst.
De storm veroorzaakte veel schade.

2. kwaad kwaad


Ben je kwaad vanwege wat ik gezegd heb?
Een onontkoombaar kwaad.
Geld is de wortel van alle kwaad.
Hij is erg aardig. Hij spreekt nooit kwaad over anderen.
De leerkracht was heel kwaad, en stuurde Johnny uit de klas.
We hebben het werk gedaan zo goed en zo kwaad als het ging.
Als ze hier zonder man en zonder kennissen is, dacht Goerov, dan zou het geen kwaad kunnen om met haar kennis te maken.
Ik heb geen enkel idee waarom zij zo kwaad geworden is.
Je moet niet kwaad spreken over andere jongens in zijn klas.
Hij heeft tegen mij gelogen, daarom ben ik kwaad op hem.
Zeg mij a.u.b. waarom ze kwaad werd.
Ze werd kwaad toen haar man dronken thuis kwam.
Alstublieft word niet kwaad als ik kritiek heb.
Met hoge heren is het kwaad kersen eten.
Hij werd kwaad.