English Dutch Dictionary

English - Nederlands, Vlaams

rush in Dutch:

1. zich haasten zich haasten



Dutch word "rush"(zich haasten) occurs in sets:

woorden engels 6.2

2. haast haast


Haast u langzaam.
We zijn haast een gezin.
Ik heb haast!
Om zo snel te lopen moet hij haast wel steroïden hebben genomen.
Haast je, of je haalt de trein niet.
Haast u, of ge mist het middagmaal.
Haast u alstublieft.
Moet dit een krentenbol zijn? Je moet haast fietsen van de ene krent naar de andere, zo weinig zitten er in.
Haast u om de bus niet te missen.
Haast u! Als u niet opschiet, komen we te laat.
Ik vond het haast eng om je een hele dag niet online te zien.
Haast je, Martin. We zijn al laat!
Er is geen haast bij.
Ik heb verschrikkelijke haast... om redenen die ik niet kan noemen, antwoordde Dima de vrouw. "Laat me alstublieft gewoon dat pak daar passen."
Haast u, anders mist ge de trein.

Dutch word "rush"(haast) occurs in sets:

Wasp teksten engels deel 2

3. rennen rennen


Elke dag rennen we voor drie uur.
Taxi's in China zijn gratis, je hoeft alleen maar snel te rennen.
Ik heb hem zien rennen.
Je moet sneller rennen.
Hee jij daar! Niet rennen bij het zwembad!
Ik kan net zo hard rennen als Bill.
We moesten rennen om onze overstap te halen. Om twee voor half drie kwamen we aan op spoor één, en om één over half zou onze trein vertrekken van spoor achttien.
Hij kan niet lopen, laat staan rennen.
Ooit zal ik rennen als de wind.