English Dutch Dictionary

English - Nederlands, Vlaams

gift in Dutch:

1. cadeau cadeau


Ik was bijna tien toen mijn ouders mij een wetenschapsset cadeau deden voor Kerstmis.
Ik heb een pen als cadeau voor je verjaardag gekocht.
Ik weet niet zeker aan wie ik dit cadeau moet geven: aan het meisje of aan de jongen?
Hij gaf me een cadeau.
Het is erg aardig van je om me zo'n mooi cadeau te sturen.
Bedankt voor je cadeau.
Dit is een cadeau voor jou.

Dutch word "gift"(cadeau) occurs in sets:

13. Fashion (2)