Portuguese Dutch Dictionary

português - Nederlands, Vlaams

homem in Dutch:

1. man man


Als we thuis ruzie hebben, kiest mijn man niet mijn kant maar altijd die van zijn moeder.
Een man is op zijn veertigste en op zijn vijftigste nog steeds een jochie.
Een man naderde.
Dank u, ik zou wel nog een stukje cake willen, zei de schuchtere jonge man.
Geef me mijn man terug!
De gebruikte methoden om stress te verwerken zijn verschillend van man tot vrouw: mannen zoeken hun toevlucht hoofdzakelijk in alcohol, terwijl vrouwen hun stress verwerken door te chatten.
De man smeekte om genade, maar werd veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf voor zijn misdaad.
Daar is mijnheer James die naar men zegt de rijkste man van het dorp is.
Dima? vroeg de man die Dima "Al-Sayib" noemde. "Ik ken geen Dima. Sorry. Ik denk dat je het verkeerde nummer hebt."
De zwaargewonde man was al gestorven bij aankomst in het ziekenhuis.
Als ze hier zonder man en zonder kennissen is, dacht Goerov, dan zou het geen kwaad kunnen om met haar kennis te maken.
Een jaar of twaalf, vijftien geleden woonde in de stad, in een particulier huis aan de hoofdstraat, ambtenaar Gromov, een betrouwbaar en vermogend man.
Zoudt ge mij deze vraag gesteld hebben als ik een man was?
Ze heeft haar man overgehaald de vakantie in Frankrijk door te brengen.
Tussen man en vrouw is geen vriendschap mogelijk. Er is passie, haat, aanbidding, liefde maar geen vriendschap.