Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

spać in Dutch:

1. slapen slapen


In een vuilcontainer slapen, hmm? vroeg Al-Sayib. "Dat zal wel een stinkende gewaarwording geweest zijn."
Ga slapen.
Slapen vrienden met hun vrienden en vermoorden ze daarna? vroeg Dima terug.
/ slap/ sliep(en)/ h. geslapen
Toen we gisterenavond thuis kwamen, lagen de anderen al in bed, vast aan het slapen.
Toen hij zijn naam hoorde, stond de kruising tussen een teckel en een vuilnisbakkenras op van onder de werkbank, waar hij had liggen slapen op de houtkrullen, rekte zich eens lekker uit en rende achter zijn baasje aan.
Ik heb mijn lessen af en ik wil slapen, maar het is alweer tijd om naar school te gaan...
Ik heb niet goed kunnen slapen gisterennacht, dus voel me niet zo goed.
Hoe vroeger ik 's nachts ga slapen, hoe vroeger ik 's morgens opsta.
Vooraleer te gaan slapen in een hotel, ga eerst na waar de nooduitgang zich bevindt.
Het slapen op de vloer is gezond voor je rug.
Het lijkt er op dat de kinderen op de vloer zullen moeten slapen.
Kleurloze groene ideeën slapen woedend.
Ik ben blijven slapen want mijn wekker ging niet af.
Als ge moe zijt, waarom gaat ge dan niet slapen? "Omdat, als ik nu ga slapen, ik te vroeg wakker ga worden."

Dutch word "spać"(slapen) occurs in sets:

500 czasowników po niderlandzku 1 - 50
1000 najpopularniejszych słów po niderlandzku 451 ...
Czynności - De handelingen
czasowniki pl - nd