Polish Dutch Dictionary

język polski - Nederlands, Vlaams

kierunek in Dutch:

1. de richting



2. richting


Hij kon altijd zeggen in welke richting de wind blies.
Let op dat ge niet in de verkeerde richting rijdt in een eenrichtingsstraat.
De kinderen pakten hun schaatsen en gingen richting de bevroren vijver.
En zo zat hij op een keer aan het eind van de middag in de tuin te eten, toen een dame met een baret rustig in zijn richting kwam om aan de tafel naast hem te gaan zitten.
De jachthond liep richting het bos.