French Dutch Dictionary

Français - Nederlands, Vlaams

tour in Dutch:

1. rondje rondje



2. beurt beurt


Jij bent aan de beurt.
Het is uw beurt.
Het was mijn beurt om de kamer te kuisen.
De auto moet morgen naar de garage voor een grote beurt. Daar zal ik wel weer een paar honderd euro armer van worden.
Is het mijn beurt?
Wie is aan de beurt?
Het is jouw beurt om te zingen.
Het oude zomerhuis had slechts één bed, daarom sliepen we er om de beurt in.
Wie zijn beurt is het?

3. toren toren


De toren was in verval.
Hoe hoog is die toren?
Er staat een oude toren midden in het dorp.
Eigenlijk wilde ik een jonkvrouw zijn in een toren die bewaakt wordt door zeven draken, en dan zou een prins op een wit paard alle draken hun kop afhakken en mij bevrijden.
Ik kon een toren onderscheiden in de verte.
Hebt ge de Toren van Tokio al gezien?