Spanish Dutch Dictionary

español - Nederlands, Vlaams

empezar in Dutch:

1. beginnen beginnen


Ge moet onmiddellijk beginnen.
Het leven is als ganzenborden: je kunt altijd opnieuw beginnen, tenzij je in de put blijft zitten.
Om te beginnen moeten we beslissen over de naam.
Wat zou ik toch moeten beginnen zonder jou?
We zouden enkele basisregels moeten vaststellen voor we eraan beginnen.
Het leek erop dat de ruzie eindelijk uitgepraat zou worden, toen Mark olie op het vuur gooide door te beginnen over de vraag wie de schuldige was.
begin, begint, beginnen; begon, begonnen; ik ben begonnen
Als we hier stoppen, moeten we helemaal opnieuw van nul beginnen!
beginnen, begon, begonnen. Een uur geleden begon het weer plots te veranderen. Is het onderzoek naar de oorzaak van het ongeval al begonnen?
Ik ga beginnen.
Een brief beginnen is altijd moeilijk.
Veel Amerikanen voelen zich ongemakkelijk bij een stilte, en ze beschouwen een stilte tijdens een gesprek als een teken dat ze zelf moeten beginnen spreken.
Vanaf volgende week hebben we tussentijdse examens. Denk eraan dat voor de vragen die je dan krijgt een enkel nachtje blokken onvoldoende is. Je moet echt nu beginnen!
Verbaasd zijn, zich verwonderen, is beginnen te begrijpen.
Je zou echt eens moeten beginnen denken voor je jouw mond open doet, je zou op die manier veel misverstanden kunnen vermijden.

Dutch word "empezar"(beginnen) occurs in sets:

WERKWOORDEN SPAANS TOETSWEEK A2A