Spanish Dutch Dictionary

español - Nederlands, Vlaams

diccionario in Dutch:

1. woordenboek woordenboek


Niet iedere student heeft een woordenboek.
Waarom kocht je zo'n duur woordenboek?
Als je nieuwe woorden tegenkomt, moet je ze opzoeken in het woordenboek.
Ik zal de uitdrukking opzoeken in het woordenboek.
Het woordenboek op het bureau is van mij.
Dat is mijn woordenboek.
Het woordenboek bevat ongeveer een half miljoen woorden.
Men kan zich een woordenboek aanschaffen van Esperanto naar en uit enorm veel nationale talen.
Ik heb het woordenboek geleend van mijn vriend.
Ze kocht een woordenboek voor haar zuster.
Ik heb haar haar woordenboek teruggegeven.
Het handige van dit elektronische woordenboek is dat je het makkelijk mee kan nemen.
Hij is de persoon aan wie ik mijn woordenboek heb gegeven.
Er ligt één woordenboek op tafel.
Het woordenboek is van onschatbare waarde bij het leren van talen.