Spanish Dutch Dictionary

español - Nederlands, Vlaams

casa in Dutch:

1. thuis thuis


Niemand thuis?
Als we thuis ruzie hebben, kiest mijn man niet mijn kant maar altijd die van zijn moeder.
Onze koters zijn altijd de hort op - in de speeltuin, bij vriendjes, op het schoolplein... Zelden spelen ze gewoon thuis.
Als ik een ander land bezoek, eet ik daar alles, ik leer de taal een beetje, minstens enkele zinnen. Op die manier voel ik me er meer thuis, en gelukkiger, in vergelijking met de meerderheid van mijn reizende landgenoten.
Deze namiddag, als ik thuis aangekomen ben, ben ik van plan te studeren.
Daarna vertrek ik, maar dan realiseer ik me dat ik m'n rugzak bij hen thuis heb laten liggen.
Ben je thuis gebleven om te leren voor de toets?
We leven niet in landen, we leven in onze talen. Dat is jouw thuis, daar en nergens anders.
Honden kunnen niet praten, maar het leek alsof de ogen van het hondje zeiden: "Nee, ik heb geen thuis."
Kom thuis voor het donker wordt.
Toen we gisterenavond thuis kwamen, lagen de anderen al in bed, vast aan het slapen.
Ik heb geen idee, ik ben niet zo thuis in dat soort zaken. Dat kun je beter aan die meneer daar vragen.
Vorig jaar kwam ik terug thuis en was ik verrast, dat het dorp en de mensen helemaal veranderd waren.
Vanaf de vijde zal ik thuis zijn en je verwachtende.
We kunnen thuis geen schaap houden. Wat moeten we er daar mee doen?

2. huishouden huishouden


Het moet enorm moeilijk voor haar zijn het huishouden alleen te runnen na de scheiding.
Het is bij hen een huishouden van Jan Steen.