Spanish Dutch Dictionary

español - Nederlands, Vlaams

capacidad in Dutch:

1. vermogen vermogen


Hij liet zijn vermogen aan zijn zoon.
Als een waterkoker een laag vermogen heeft, betekent dat niet dat hij zuinig is, alleen dat het langer duurt voor je theewater kookt.

2. capaciteit


Hoe berekent men de capaciteit van een condensator?
In dit verslag wordt de capaciteit van de hal overdreven.