English Dutch Dictionary

English - Nederlands, Vlaams

price in Dutch:

1. prijs prijs


Ik heb deze jurk voor een lage prijs gekocht.
We garanderen de laagste prijs voor een taalschool in Québec (Canada).
Hij gaf zijn identiteit niet prijs.
Hij heeft alles geprobeerd om die prijs te verkrijgen.
De verliezers ontvingen ook een ‘prijs’. Ze werden namelijk verslagen door het winnende team.
De vorige stoker had iets gedronken dat qua prijs overeenkwam met zijn salaris, en het toverdrankje bracht hem in dat verre buitenland, waar algehele werkeloosheid een synoniem is voor eeuwig geluk.
Aan wie van u twee heeft de leraar de prijs gegeven?
Heb je de prijs van deze telefoon gezien? Hij kost stukken van mensen!
De prijs van de aardolie stijgt.
Ik zou het op prijs stellen als ze naast me zou komen zitten.
De school heeft Mary een prijs toegekend.
Ik weet het niet. Het hangt af van de prijs.
Onze baas heeft aangedrongen op die prijs, legde de verkoopster uit. "Maar weet u, u hoeft me geen 0,99 in kopeken te betalen. U mag meer betalen als u wilt."
De prijs van dit boek is met de helft verlaagd.
Iedereen heeft zijn prijs.

Dutch word "price"(prijs) occurs in sets:

2000 Most Used Dutch Words (1/2)