English Dutch Dictionary

English - Nederlands, Vlaams

move in Dutch:

1. verplaatsen verplaatsen


De administratie besliste de zetel van de firma te verplaatsen naar Hawaï.

Dutch word "move"(verplaatsen) occurs in sets:

engels h3 studybox 1
Study Box Five

2. bewegen bewegen


Kan je je benen bewegen?
Sadako wou er nog meer aan toevoegen, maar haar lippen wouden niet meer bewegen.

Dutch word "move"(bewegen) occurs in sets:

Most common Dutch words 951 - 1000

3. zet zet


Zet de tomatensla in de koelkast.
Zet ze op de bakplaat en smeer ze in met eiwit.
Zet de radio een beetje harder.
Zet een kruisje voor je naam.
Alstublieft, zet u.
Zet 48 uur om in minuten, hoeveel minuten zijn dat?
Het is tijd om naar bed te gaan. Zet de radio af.
Zet de televisie niet luider alstublieft.
Nee, zet maar op mijn rekening.
Zodra ik opsta, zet ik koffie.
's Nachts zet ik mijn paprikaplantjes bij het open raam, zodat ze een beetje kunnen harden voor ik ze buiten poot, want ze hebben nu nog zulke dunne steeltjes.
Hij zet zich altijd volledig in voor zijn werk.
Zet de muziek luider!
Zet die dingen opzij, die je droevig maken!
Zet je naam op de lijst en geef hem door aan de volgende persoon.

Dutch word "move"(zet) occurs in sets:

2000 Most Used Dutch Words (1/2)

4. ontroeren ontroeren



Dutch word "move"(ontroeren) occurs in sets:

woordjes hst 7

5. beweging


Hij speelde een grote rol in de beweging.
Door een plotse beweging gooide hij de schraag omver.

Dutch word "move"(beweging) occurs in sets:

engels woordjes 6.3