English Dutch Dictionary

English - Nederlands, Vlaams

friend in Dutch:

1. vriend vriend


Mijn vriend leert Koreaans.
Eenmaal op het station aangekomen, belde ik mijn vriend op.
Een kind wordt niet slecht door kattenkwaad, maar door een slechte vriend.
En zo hing Dima's vriend uit zijn kindertijd zomaar op, Dima - net als daarvoor - met 99 kopeke te weinig achterlatend.
Wie van u kan morgen wat geld lenen aan haar vriend?
Ik ben naar het vliegveld geweest om een vriend uit te zwaaien.
Met vriendelijke groeten, voor altijd uw vriend.
Verwijt je vriend niet, want jijzelf verdient het verwijt meer; hij is maar een éénmalige leugenaar terwijl jij nu nog altijd leugenaar bent.
Eten met een gezin in Peking, skilopen met een goede vriend in Polen, met een hartsvriendin in Belgrado wonen - dat zou ik zeker niet gedaan hebben zonder Esperanto.
Ik weet mijn adres nog niet, ik ga een tijdje bij mijn vriend wonen.
De vriend waarmee ik gereisd heb, is sympathiek.
Hij heeft het zijn vriend gered op gevaar van zijn eigen leven.
Onze vriend is als tweede geëindigd in de race.
Een vriend van mij is laatst uitgegleden over een autootje dat zijn zoon had laten slingeren op de trap en heeft toen zijn grote teen gebroken.
Neem je ontbijt alleen, neem het middagmaal met je vriend en geef je avondmaal aan je vijand.

Dutch word "friend"(vriend) occurs in sets:

2000 Most Used Dutch Words (1/2)

2. de vriend de vriend



Dutch word "friend"(de vriend) occurs in sets:

Most common Dutch words 201 - 250
People - De personen
De personen - People