German Dutch Dictionary

Deutsch - Nederlands, Vlaams

karte in Dutch:

1. kaart kaart


Kunt ge mij Porto Rico tonen op de kaart?
Laten we kaart spelen.
De rode lijnen op de kaart stellen spoorwegen voor.
Hij kaart graag.
Hoe gebruikt men die kaart?
Hier uw kaart met de afspraak.
Ze zaten aan tafel en speelden kaart.
Er hangt een kaart aan de muur.
Hij bestudeerde de kaart om een binnenweg te vinden.
De dikke lijnen op de kaart zijn wegen.
Wat stellen deze punten op de kaart voor?
Wat is de cash-limiet voor deze kaart?
Deze plek staat niet op de kaart.
Er ligt één kaart op tafel.