German Dutch Dictionary

Deutsch - Nederlands, Vlaams

holz in Dutch:

1. hout hout


Ik maakte een bureau van hout.
Canada is rijk aan hout.
Ze probeerden hout te verzamelen in het bos.
Wij zijn uit hetzelfde hout gesneden.
Hout brandt.
Het heeft vier poten, is van hout en staat in de keuken.
Dom als een blok hout.
Hout drijft, maar ijzer zinkt naar beneden.
Van dik hout zaagt men planken.
Alle hout is geen timmerhout.
Die tafel is van hout.
Hij heeft een boeddhabeeld gesneden uit hout.